EEN MENS EEN HUIS

De objecten van beeldend kunstenaar Inge van der Ven (1973) zien er bedrieglijk alledaags en huiselijk uit. Hun menselijke maat, het organische voorkomen van de kleine sculpturen, de bekendheid van hun vormen en de (schijnbaar) tere huid doen je ertoe neigen de werken aan te raken. Uit het kopje zou je kunnen drinken, de jurk (Theezakjesjurk, 2004), het slipje (Slip, 2004), de pumps (Zonder Titel, 2011), je zou de kledingstukken kunnen dragen. Maar bij nader inzien lijkt het kopje, dat deel uitmaakt van een groter servies (Nieuwe Morgens, 2011), toch wat wankel. Sijpelt de thee er niet uit? En de garderobe oogt eigenlijk enigszins stijf: het lijfje van de jurk heeft onnatuurlijk rechte contouren in plaats van soepel vallende lijnen. Wat moet deze outfit oncomfortabel zijn!

Die twijfel tussen vertrouwdheid en onbehagen, tussen gemak en ongerief is kenmerkend voor het nog jonge oeuvre van Van der Ven. Bij het zien van de kleine sculpturen, word je als toeschouwer in eerste instantie verwonderd aangetrokken tot de objecten. Hun alledaagsheid benadrukt de menselijke relatie die je met hen onderhoudt. Kijk je beter, dan blijkt dat de werken zijn gemaakt van materialen die al even bekend zijn als de objecten zelf: schuursponzen, vaatdoekjes, dweilen, tissues, afvoerputjes, panty’s, haar, eierschalen, koffiefilters, theezakjes. Dit basismateriaal is bewerkt. Zo heeft Van der Ven de theezakjes gedroogd, de naden losgemaakt en van hun vulling ontdaan, waardoor langwerpige lapjes zijn ontstaan. De grondstof is getransformeerd, waardoor hij minder vertrouwd en soms nauwelijks herkenbaar is. Van de ‘oorspronkelijke’ context is het theezakje vervreemd. In de sculpturen, vervolgens, onderstreept de combinatie van die alledaagse materialen met kunstmatige stoffen, als acrylbinder of rubberlatex, het contrast tussen het natuurlijke en het artificiële, het vertrouwde, huiselijke en het onbekende. En zelfs, zoals in het werk van Louise Bourgeouis, met wie haar werk opmerkelijke overeenkomsten vertoont, tussen leven en kunst. Maar in Van der Vens objecten wordt de vervreemding in extremis doorgevoerd, zo blijkt. Want de doekjes, dweilen en filters niet altijd nieuw, schoon en fris zijn, maar zitten vol vlekken: ze zijn gebruikt! Wát, precies, recyclet Van der Ven?

‘Ik ben gefascineerd door de sporen van het gebruik’, zo licht ze toe. Dit voorbije, persoonlijke menselijke handelen blijft zichtbaar in haar werken. De materialen zijn door het (her)gebruik dat ervan ís, of potentieel kán worden gemaakt, niet (meer) uniform. Van der Vens eigen handelen, het maakproces, blijft in de objecten traceerbaar, ‘leesbaar’, bovendien. Zo hebben de steekjes die de rand van de schoenen markeren een vrolijke kleur gekregen waardoor ze opvallen. De waarneembare naad wekt de indruk dat de objecten bijeen worden gehouden, alsof ze uit elkaar zouden vallen wanneer de lijn door wordt geknipt. Deze suggestie van kwetsbaarheid heeft de eerder genoemde ambiguïteit tot gevolg: je wordt als kijker aangetrokken tot de voorwerpen – hun fragiele oppervlak verbaast en verleidt -, dan weer word je door ongemak afgestoten. De verstilde hulpeloosheid van de sculpturen verwondert en ontroert. De duidelijke onhandigheid maakt ze als voorwerpen nutteloos voor dagelijks gebruik. Bewust of onbewust, en tegen beter weten in, behoedt Van der Ven in haar werk de huidige stroom van wegwerpmaterialen en –artikelen op deze manier voor vroegtijdig verval. Tegelijkertijd bevriest ze in haar sculpturen diezelfde vergankelijkheid.

Wat is afgedankt wordt nieuw leven ingeblazen. Van der Ven herstelt en repareert, op een ouderwetse manier, zoals een oma ooit kousen stopte: met naald en draad. Maar liever dan een belerende ingreep in de ‘werkelijkheid’ of een melancholische hang naar een vervlogen verleden, toont zij de huiselijke schoonheid van wat normaliter onopgemerkt blijft. Dit geldt, zoals gezegd, voor de verwerkte alledaagse restanten, alsmede voor de erin aangetroffen sporen en de materiaalbehandeling die die sporen belicht. Van der Vens ‘leven geven’ symboliseert vrouwelijkheid, vruchtbaarheid. Van het maakproces gaat een stereotiep moederlijke, koesterende werking uit. Het naaien en borduren, zoals in Van ver gekomen (2011), refereert aan huisvlijt. De gebruikte dweilen en poetsdoekjes herinneren aan het repetitief, bijna meditatief boenen en weken waarmee een huis op orde wordt gemaakt. En opnieuw dringt de vergelijking met Bourgeois zich op, ditmaal met de gigantische spin (Maman, 1999) en de bronzen poten die het dier beschermend om de bezoekers heen gevouwen houdt. Het zijn de ritmische, verzorgende en zorgzame handelingen, vergelijkbaar met het spinnen van een web, die, als het ware, een tweede huid of een veilig huis construeren, om de menselijke gestalte heen. Ze bakenen de persoonlijke omgeving af en vergroten haar tegelijkertijd. Ze creëren, zoals de organische, gelaagde huid en de halfdoorlatende membranen van de cellen, een fragiele en toch sterke beschermende huls. Die persoonlijke ruimte ben jij ook, zo lijkt Van der Ven te willen zeggen. Of, in haar eigen woorden: ‘het mooiste is als je als mens je eigen huis kunt zijn’.

Ilse van Rijn

Mei 2011

 

 
 
 
 
 
 
Home

© Inge van der Ven |Disclaimer